Nieuwe TBA-kennispaper waarschuwt voor vochtproblemen in steeds meer luchtdichte gebouwen
Alle afbouwbedrijven
aangesloten bij NOA
08 juli 2026

‘Schimmel begint niet bij de afbouwer’

Schimmelvorming in de droge afbouw is geen nieuw verschijnsel. Maar volgens Technisch Bureau Afbouw komt het probleem de laatste jaren wel steeds vaker voor. Dat is opvallend, juist omdat gebouwen technisch beter, energiezuiniger en vaker luchtdicht worden gebouwd. Of misschien is dat precies de oorzaak.

In de TBA-kennispaper Schimmelvorming in de droge afbouw wordt uitgelegd hoe schimmel ontstaat, wanneer reinigen nog verantwoord is en wanneer aangetaste materialen moeten worden vervangen. Hermen de Hek, wand- en plafondmontagedeskundige bij TBA en opsteller van de kennispaper, ziet in de praktijk een duidelijke ontwikkeling. “Het komt al jaren steeds vaker voor. We bouwen veel meer luchtdicht, waardoor er nauwelijks mogelijkheden zijn tot ventilatie.” Daar komt bij dat in de bouw steeds vaker hout, gipsplaat en andere vochtgevoelige materialen worden gecombineerd. Zeker bij houtskeletbouw kan dat risico’s geven. “Als je hout, gipsplaat, vochtige bouwplaatsomstandigheden en geen ventilatie bij elkaar optelt, dan krijg je op een gegeven moment dat het vocht lekker in die platen kan trekken. En dat kan tot schimmel leiden.”

Vocht kan er niet uit

De term droge afbouw klinkt veilig. Maar de praktijk is vaak minder droog dan de naam suggereert. Gipsplaten worden aangebracht in gebouwen waar nog bouwvocht aanwezig is. Anhydrietvloeren moeten drogen. Stucwerk brengt vocht in het gebouw. Betonvloeren bevatten eveneens veel water. Tegelijkertijd is de bouwsnelheid hoog en wordt er uit kostenoverwegingen niet altijd voldoende gestookt. “Bouwsnelheid gaat omhoog en energiekosten zijn hoog, dus we willen ook niet stoken”, zegt De Hek. “De gevels zijn tegenwoordig vaak niet meer voorzien van ventilatieroosters. Als je wilt ventileren, moet je een raam openzetten.”

In grote appartementengebouwen is dat volgens hem in de praktijk nauwelijks werkbaar. Niemand loopt elk uur of elke dag alle ramen open en dicht te zetten. Het gevolg: de wanden zijn geplaatst, de naden zijn afgewerkt, de vloer ligt erin, maar het vocht kan nergens heen. “Als ramen en deuren niet open gaan en er wordt niet gestookt, ontstaat langdurig een hoge vochtbelasting. Dat leidt dan inderdaad tot schimmelvorming.” Daarmee wordt schimmel in de droge afbouw vooral een klimaatprobleem. Schimmel heeft vocht nodig, een voedingsbodem en onvoldoende droging of ventilatie. Die voedingsbodem is in de afbouw vaak aanwezig: de papierlaag van gipskarton, hout, stof of andere organische vervuiling. Wanneer materialen langdurig vochtig blijven, kan schimmel zich niet alleen op het oppervlak ontwikkelen, maar ook in de plaat of zelfs in het houten frame.

Niet elke plek is hetzelfde

De kennispaper maakt een belangrijk onderscheid tussen oppervlakkige schimmel en aantasting in het materiaal of de constructie. Dat onderscheid bepaalt de aanpak. “Als de schimmel oppervlakkig is en de gipsplaat niet zacht is geworden door het vocht, dan kun je negen van de tien keer met wegborstelen en een schimmeldodende spray een heel eind komen”, zegt De Hek. Voorwaarde is wel dat de ondergrond droog en intact is en dat de oorzaak van het vochtprobleem is weggenomen. Bij metal studwanden is het risico beperkter dan bij houten constructies. “Een metal studprofiel doet niets met schimmels”, aldus De Hek. “Maar een houten skelet wel.” Bij langdurige vochtproblemen of lekkage kan de schimmel achter de gipsplaat in het houten frame zitten. Dan is oppervlakkig reinigen onvoldoende. De gipsplaat moet worden vervangen en het houten frame moet eerst worden behandeld. De TBA-kennispaper waarschuwt daarom voor schijnoplossingen. Chloor of een ander schimmeldodend middel kan werken bij kleine, oppervlakkige plekken. Maar zodra schimmel zich achter de plaat bevindt, wanneer hout of isolatie is aangetast of wanneer sprake is van zwarte of donkerbruine schimmel, wordt alleen het zichtbare symptoom aangepakt. De oorzaak blijft bestaan. Dan komt het probleem terug.

Verantwoordelijkheid

Voor afbouwbedrijven is vooral de verantwoordelijkheidsvraag belangrijk. Zij komen vaak aan het eind van het bouwproces in beeld, wanneer de planning onder druk staat. De ruimtes moeten dicht, de plafonds erin, de naden afgewerkt. Maar als de omstandigheden niet goed zijn, loopt juist de afbouwer risico op schade, herstelkosten en discussies over garantie. De Hek is daar duidelijk over. “In principe is de hoofdaannemer verantwoordelijk voor de omstandigheden op de bouwplaats. Hij moet ervoor zorgen dat het binnenklimaat geschikt is voor de producten die worden toegepast.” Die verantwoordelijkheid geldt volgens hem niet alleen voorafgaand aan en tijdens het aanbrengen van de producten, maar ook daarna. Even stoken om de naden te kunnen afwerken en daarna de stekkers eruit trekken, is dus niet genoeg. “Vanaf het moment dat je met de droge afwerking begint, moeten relatieve vochtigheid en temperatuur binnen de voorgeschreven grenzen vallen. Dat staat gewoon in de richtlijnen.” Toch voelen afbouwers zich in de praktijk niet altijd vrij om een werk stil te leggen. Wie weigert, is bang de klus kwijt te raken. De Hek begrijpt die spanning, maar draait de redenering om. De afbouwer heeft een contract en moet zijn werk uitvoeren volgens de voorschriften van fabrikanten. Als die voorschriften droge omstandigheden eisen, kan hij onder natte en koude omstandigheden geen garantie leveren. “Op het moment dat het nat en koud is, moet je het ook niet doen. Dan pleegt niet de afbouwaannemer contractbreuk, maar de aannemer die moet zorgen voor de juiste omstandigheden op de bouw.”

Vaker op strepen staan

De boodschap van de kennispaper is daarmee ook een oproep aan de sector. Afbouwbedrijven mogen, en moeten, meer op hun strepen staan als de omstandigheden niet deugen. Dat is geen dwarsliggen, maar professioneel risicobeheer. Wie toch monteert in een te nat gebouw, bouwt het probleem mogelijk letterlijk in. TBA ondersteunt afbouwbedrijven steeds vaker met tussentijdse controles. Daarbij worden temperatuur, vochtigheid, bouwkundige omstandigheden en de kwaliteit van de uitvoering gemonitord. Zo ontstaat een dossier richting hoofdaannemer. De Hek: “Dan kun je laten zien dat de werkzaamheden goed worden uitgevoerd, maar dat de temperatuur niet goed is, of dat het te koud of te nat is. Dan is de aannemer gewaarschuwd.” Dat dossier kan belangrijk zijn als later discussie ontstaat. Want schimmel is zelden alleen een vlek op de wand. Het is een signaal dat het bouwproces, het klimaat of de planning niet op orde was.

De conclusie van TBA is streng, maar praktisch: schimmelvorming in de droge afbouw is altijd een gevolg van vocht. Zonder het structureel oplossen van dat vochtprobleem is elke reiniging tijdelijk. En als de aantasting in gipsplaat, hout of achter de afwerking zit, is er maar één technisch verantwoorde oplossing: verwijderen, behandelen waar nodig en opnieuw opbouwen.

Deel dit artikel: