De energietransitie is in volle gang, maar botst in Nederland steeds vaker op een harde realiteit: het elektriciteitsnet zit vol. Voor de afbouwsector is dat allang geen abstract probleem meer. Projecten vertragen, verduurzaming stokt en ondernemers komen klem te zitten tussen ambities en mogelijkheden. Volgens Barth de Klerk, Directeur Operatie en Transitie bij Netbeheer Nederland, vraagt dit om een fundamenteel andere manier van denken en werken.
De Klerk spreekt uit ervaring. Met ruim dertig jaar in de energiesector ziet hij hoe snel de situatie is veranderd. “Vijftien jaar geleden dacht niemand na over energie. Je plugde in en alles werkte. Nu moet je je ineens afvragen: kan het eigenlijk wel, en hoe dan?”
De gevolgen van netcongestie zijn inmiddels breed voelbaar in de bouw- en afbouwketen. Nieuwe projecten lopen vertraging op of gaan zelfs helemaal niet door, omdat er geen capaciteit op het elektriciteitsnet beschikbaar is. Vooral bij renovaties van kantoren en scholen speelt dit nadrukkelijk. Daar is vaak behoefte aan een zwaardere aansluiting, maar die blijkt pas na jaren beschikbaar. Voor afbouwbedrijven komt daar nog een extra complicatie bij. Zij stappen meestal pas later in het bouwproces in. “Je zit verderop in een project en wordt dan geconfronteerd met de boodschap: het gaat niet door, of het wordt uitgesteld. Dat is natuurlijk heel frustrerend,” aldus De Klerk.
Tegelijkertijd neemt de druk toe om te verduurzamen. Elektrisch materieel, emissieloos bouwen en energiezuinige installaties worden steeds vaker geëist, zeker door overheden. Maar juist die verduurzaming wordt bemoeilijkt door het gebrek aan netcapaciteit. De Klerk noemt het treffend een “catch-22”: bedrijven moeten elektrificeren, maar kunnen hun elektrische materieel vervolgens niet opladen.
Een belangrijk deel van de oplossing ligt volgens De Klerk in een andere benadering van energiegebruik. Hij pleit voor zogenoemd ‘netbewust bouwen’: al in de ontwerpfase nadenken over hoe je met zo min mogelijk capaciteit toch zoveel mogelijk kunt realiseren. Dat betekent onder meer betere isolatie, het inzetten van hybride warmtepompen of warmtenetten en het beperken van piekbelasting. “Door slimmer te ontwerpen en te installeren kun je meer woningen of bedrijven op dezelfde kabel aansluiten,” legt hij uit. Voor afbouwbedrijven betekent dit dat energie geen sluitpost meer is, maar een integraal onderdeel van het project. Niet alleen technisch, maar ook in de samenwerking met opdrachtgevers en andere partijen in de keten.
Naast ontwerpkeuzes speelt ook het dagelijkse energiegebruik een steeds grotere rol. Bedrijven worden gedwongen om hun afnameprofiel beter te begrijpen en pieken te vermijden. Denk aan het slim aansturen van laadpalen, het spreiden van energie-intensieve werkzaamheden of het inzetten van batterijen. Voor grotere bedrijven bestaan al contractvormen waarbij zij worden beloond voor het verplaatsen van hun piekverbruik. Maar ook voor mkb-bedrijven liggen er kansen. “Laat iemand meekijken naar je energieverbruik en kijk wat er binnen je bestaande aansluiting wél mogelijk is,” adviseert De Klerk. Op termijn zullen ook nieuwe tariefstructuren dit gedrag verder stimuleren. Vanaf 2028 worden netkosten sterker afhankelijk van het moment van gebruik. Wie energie verbruikt tijdens piekuren, betaalt meer. Dat moet bedrijven prikkelen om hun gebruik te verschuiven.
Een veelgenoemde oplossing is samenwerking tussen bedrijven, bijvoorbeeld via energiehubs op bedrijventerreinen. Daarbij stemmen bedrijven hun opwek en verbruik op elkaar af, zodat capaciteit efficiënter wordt benut. Hoewel technisch mogelijk, blijkt de praktijk weerbarstig. “Het kost al snel een paar jaar om zo’n samenwerking op te zetten,” zegt De Klerk. Juridische structuren, verschillende energieleveranciers en het benodigde onderlinge vertrouwen maken het complex. Voor veel mkb-bedrijven is het daarom voorlopig geen snelle oplossing.
Intussen werken netbeheerders samen met bouwbedrijven en installateurs hard aan het uitbreiden van het elektriciteitsnet. Kabels worden verzwaard, transformatorstations gebouwd en nieuwe infrastructuur aangelegd. Maar die uitbreiding kost tijd, veel tijd. De grootste bottleneck zit niet eens in de bouw zelf, maar in procedures. Vergunningen, bezwaartrajecten en ruimtelijke inpassing zorgen ervoor dat de realisatie van grote stations soms tien tot twaalf jaar duurt, terwijl de daadwerkelijke bouw slechts één à twee jaar in beslag neemt. De Klerk is daarom realistisch over de termijn waarop verbetering merkbaar wordt: “De eerste echte doorbraken verwachten we rond 2031 of 2032, omdat er dan grote uitbreidingsprojecten op knelpuntlocaties moeten worden opgeleverd.”
Belangrijker nog: zelfs als het net wordt uitgebreid, verdwijnen de problemen niet volledig. Het energiesysteem verandert fundamenteel. Waar vroeger productie centraal en voorspelbaar was, is energie nu afhankelijk van zon en wind. Dat maakt vraag en aanbod minder stabiel. Volgens De Klerk betekent dit dat bedrijven blijvend moeten leren omgaan met flexibiliteit. “Het maken van een verbruikstrategie wordt net zo belangrijk als het ontwerpen van een gebouw,” stelt hij.
Voor de afbouwsector ligt de eerste stap in bewustwording. Niet alleen bij de bedrijven zelf, maar ook bij opdrachtgevers. Te vaak wordt energie pas laat in het proces meegenomen, met vertragingen en aanpassingen tot gevolg. De Klerk benadrukt dat afbouwbedrijven hierin ook een rol kunnen spelen. Door kritische vragen te stellen en opdrachtgevers vroegtijdig te wijzen op energiebehoefte en netcapaciteit, kunnen problemen worden voorkomen. Zijn belangrijkste advies is helder: “Neem een partij in de arm die met je meekijkt en denk niet in onmogelijkheden, maar in wat er wél kan”.