Amsterdams familiebedrijf Lavertu over rouw en vakmanschap
Alle afbouwbedrijven
aangesloten bij NOA
29 april 2026

Project de laatste steen

Een grafmonument koop je niet. Je stelt het samen, vaak met meerdere mensen, midden in een periode waarin niets vanzelfsprekend is. Wat moet er staan, welke steen past, hoe groot mag het zijn en vooral: wat zegt het over degene die er ligt? In de werkplaats van Lavertu Steenhouwers in Amsterdam komt dat allemaal samen. Tussen machines en natuursteen krijgt rouw vorm, in een proces dat net zo technisch als persoonlijk is. Bas Wildschut en Ilse Wildschut-Maes werken dagelijks aan die laatste stap. Aan stenen die iets moeten vastleggen wat zich moeilijk laat vangen: herinnering, karakter en de manier waarop iemand gemist wordt.

Op begraafplaats Sint Barbara in Amsterdam begint het werk vaak pas als de stilte is teruggekeerd. De uitvaart is geweest, de bloemen zijn verwelkt en de familie is naar huis. Wat overblijft is een plek die nog vorm moet krijgen. Een plek die iets moet zeggen over degene die er ligt, maar ook over de mensen die achterblijven.

Dat is het moment waarop Lavertu Steenhouwers in beeld komt. Met een bus, een aanhanger en - tegenwoordig - een elektrische monumentenwagen. Het werk is veranderd, maar de kern niet. “Vroeger deden ze alles met de hand, hè?” zegt Bas Wildschut, samen met zijn vrouw Ilse de vijfde generatie aan het roer van het bedrijf dat door de voorouders van zijn schoonfamilie is begonnen in 1911. “Dan moest je die stenen zelf sjouwen.” Inmiddels helpen machines het zware werk verlichten, al blijft het fysiek en precies werk waarbij ervaring het verschil maakt.

Niet te plannen

Dat een grafmonument niet direct na een uitvaart wordt geplaatst, is eerder regel dan uitzondering. “Sommige mensen komen gelijk na de uitvaart,” zegt Bas, “anderen wachten twee, drie jaar.” Rouw laat zich niet plannen, en beslissingen al helemaal niet. Zeker niet als meerdere familieleden betrokken zijn, ieder met een eigen idee en herinnering. “Samen een steen uitzoeken kan lastig zijn,” zegt hij. “De een wil rood, de ander zwart.”

In de werkplaats in Sloterdijk begint daarom alles met een gesprek. Vaak met mensen die nog midden in het verlies zitten, soms zichtbaar aangeslagen, soms opvallend nuchter. “De ene komt hier binnen en dan is het voor oma van 95,” zegt Ilse Wildschut-Maes. “Daar kunnen mensen zich dan toch bij neerleggen. Maar we hebben ook mensen die een kind verliezen. Of iemand die weken in huis heeft gelegen zonder dat iemand het wist. Dat zijn wel echt schrijnende verhalen.” Die verschillen bepalen de toon van het gesprek, maar ook het tempo en de keuzes die gemaakt worden. Ilse merkt dat haar achtergrond in de zorg haar helpt om daarin mee te bewegen. “Je hebt wel echt heel veel verschillende categorieën,” zegt ze. Het vraagt niet alleen om vakkennis, maar ook om geduld en het vermogen om te luisteren, zonder meteen te sturen.

Poeha

Wie met Lavertu werkt, krijgt onvermijdelijk ook te maken met de context van de stad. Amsterdam is geen provincie en dat zie je terug in de grafmonumenten. Waar collega’s elders in het land vaak werken met sobere vormen en beperkte kleurkeuzes, is de vraag hier uitgesproken en persoonlijker. “In Amsterdam is het echt anders,” zegt Ilse. “Waar andere collega’s meer klassieke grafstenen maken en minder uitgesproken kleuren gebruiken, werk ik met bladgoud, kleuren, hartjes en rozen. Dat ‘poeha’ vind ik juist leuk.”

Die uitbundigheid zit niet alleen in de vorm, maar ook in de maat. Grafmonumenten van 2,60 meter lang zijn geen uitzondering en soms worden ze zelfs dubbel uitgevoerd. Tegelijkertijd speelt de culturele diversiteit van de stad een grote rol. Arabische, Hebreeuwse en Chinese teksten komen regelmatig voorbij, net als specifieke regels en gebruiken die het ontwerp beïnvloeden. “Bij islamitische graven mag je het vaak niet helemaal afdekken,” zegt Ilse. “En Joodse monumenten mogen na plaatsing nooit meer aangepast worden.”

Voordat er überhaupt wordt ontworpen, worden eerst de randvoorwaarden scherp gesteld. Waar ligt het graf, wat zijn de voorschriften van de begraafplaats en welke afmetingen zijn toegestaan. “Ik kan iemand wel van alles laten zien,” zegt Ilse, “maar als het niet mag, heb je er niks aan.” Pas daarna komt de vraag hoe het monument eruit moet zien, welk materiaal wordt gekozen en hoe persoonlijk het ontwerp mag of moet worden. Dat ontwerpproces verloopt zelden lineair. Sommige families weten precies wat ze willen en komen met een eigen schets binnen. Dat zijn vaak de momenten waarop het werk echt interessant wordt. “Als mensen zelf iets tekenen, denk ik: kom maar op,” zegt Ilse. In andere gevallen begint het zoeken vanaf nul en worden voorbeelden en referenties gebruikt om tot een richting te komen. Het ontwerp wordt vervolgens uitgewerkt in een 3D-voorstel, inclusief materiaalkeuze, belettering en details.

Bladgoud

In de werkplaats krijgt dat ontwerp zijn definitieve vorm. Zes dagen per week wordt er gewerkt aan grafmonumenten, van het zagen en polijsten tot het aanbrengen van teksten en het monteren van onderdelen. Veel van het werk zit in de afwerking, die minder zichtbaar is voor de buitenwereld, maar bepalend voor het eindresultaat. Teksten worden gezandstraald of opgelegd, letters soms met bladgoud ingevuld en onderdelen nauwkeurig passend gemaakt en verankerd. Dat het geen simpel werk is, blijkt vaak pas als klanten een kijkje nemen in de werkplaats. “Mensen denken soms dat je er even een zinnetje afhaalt,” zegt Ilse. “Maar als je laat zien hoe het werkt, snappen ze het wel.” Het is zwaar werk, ook al wordt dat steeds vaker ondersteund door machines. Tegelijkertijd is het een vak waarin precisie en ervaring doorslaggevend blijven, en waarin fouten moeilijk te herstellen zijn.

In diezelfde werkplaats wordt ook zichtbaar hoe kwetsbaar het vak is. Veel kennis zit nog altijd in de handen van ervaren vakmensen die het ambacht van dichtbij hebben geleerd en vaak al decennia meelopen. Tegelijkertijd is nieuwe aanwas schaars. Bij Lavertu hebben ze daarin het geluk dat er toch weer jong bloed binnenkomt. Zo loopt neef Ritchie al sinds jonge leeftijd mee in het bedrijf en rondt hij inmiddels zijn opleiding tot natuursteenbewerker af. Ook de kleinzoon van een van de oudere medewerkers staat op het punt om in te stromen. Het zijn uitzonderingen in een branche waarin opvolging allerminst vanzelfsprekend is, maar wel noodzakelijk om het vak levend te houden. “Steenhouwer is een uitstervend beroep,” zegt Ilse.

Op de begraafplaats komt alles samen. Daar wordt het monument opgebouwd uit losse onderdelen of in zijn geheel geplaatst, afhankelijk van de grootte. Het werk vraagt om nauwkeurigheid, maar ook om respect voor de plek en het moment. Als de steen eenmaal staat, wordt hij schoongemaakt en gecontroleerd, waarna de familie het resultaat te zien krijgt.

Bij Wildschut linksaf

Wat het werk onderscheidt, zit uiteindelijk niet alleen in het materiaal of het ontwerp, maar in het contact met mensen. Vrijwel iedereen die binnenkomt is onbekend met het proces en moet worden meegenomen in de mogelijkheden en beperkingen. “Bijna iedereen die hier binnenkomt is een leek,” zegt Ilse. Dat maakt elk project anders, en vaak ook persoonlijker dan vooraf gedacht.

Wie dagelijks met grafmonumenten werkt, ontkomt er niet aan om ook na te denken over zijn eigen afscheid. Bij Bas Wildschut krijgt dat al vrij concrete vormen. “Zoals Surinamers het doen: dansende dragers en zingen en zo. Dat vind ik altijd zo geweldig,” zegt hij. Bas denkt daarbij niet klein. “Dat zou ik als eerst willen. Maar ik zou op een plek, op een begraafplaats willen liggen, dat als je binnenkomt, zeg maar dat je dit ziet. En dan eigenlijk heel groot. En dat andere mensen die komen, dat ze zeggen van: waar ligt diegene begraven? Bij Wildschut links of bij Wildschut rechts?”

Ilse moet lachen om het beeld. “Het moet een plek zijn waar je bij een splitsing komt. En dat je zegt: nee, je moet bij Wildschut naar links. Dat lijkt hem heel leuk. Maar ik weet nog niet of ik dat ten uitvoer breng als hij er niet meer is.” Over één ding zijn ze het wel eens. “We zijn allebei van begraven,” zegt Ilse. Niet per se vanwege het vak, maar omdat het zo voelt. “Doe mij maar bij de beestjes. Ik vind dat helemaal prima. Weet je, lekker in de grond gewoon.”

Bas kijkt er net zo nuchter naar, maar met een duidelijke nuance. “Mijn kinderen hoeven er niet naartoe te gaan als ze er geen behoefte aan hebben. Maar er moet wel een plek zijn waar ze naartoe kunnen gaan als ze er behoefte aan hebben.”

Bas en Ilse aan het werk in hun eigen werkplaats.

Deel dit artikel:

Laatste nieuws