De discussie over zzp’ers en schijnzelfstandigheid sleept al jaren voort. Wetten stapelden zich op en met de handhaving van de wet DBA door de Belastingdienst kwam daar bij veel ondernemers in de bouw onzekerheid bij: Iedereen heeft een kleine of grote flexibele schil en de vragen, over wat er nu wel en niet mag, kwamen steeds vaker. Met minister Aartsen lijkt het kabinet nu een andere koers te kiezen. De inzet: minder stapeling van regels, meer duidelijkheid in de praktijk.
De lijn van het kabinet blijft in de kern hetzelfde: zelfstandigen moeten kunnen ondernemen, maar schijnzelfstandigheid wordt aangepakt. Nieuw is de nadruk op “rust en duidelijkheid”, wat Thierry Aartsen als Minister van Werk en Participatie regelmatig herhaalt. Waar eerdere voorstellen nog méér complexiteit leken te brengen, probeert Aartsen juist te sturen op werkbare kaders.
Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst op de Wet DBA. Nog steeds met een ‘zachte aanpak’, maar bij constatering van schijnzelfstandigheid kunnen opdrachtgevers alsnog worden aangeslagen voor loonheffingen, met aanvullende risico’s op arbeids- en pensioenrecht. Wordt bij een controle geconstateerd dat de ingehuurde zzp’ers teveel neigen richting werknemerschap, dan krijgt een bedrijf drie maanden de tijd om maatregelen te treffen. De risico’s bij onjuiste inzet van zzp’ers blijven voor ondernemers daarom onverminderd groot. Blijf daarom gebruik maken van de Modelovereenkomst Afbouw. Het is goed om je te realiseren dat deze overeenkomst alleen zekerheid biedt als er in de praktijk ook daadwerkelijk volgens die afspraken wordt gewerkt.
De invoering van de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (VBAR) werd de afgelopen twee jaar meermaals uitgesteld. Deze wet moet duidelijkheid geven over wanneer iemand werknemer of zelfstandige is. Het voorstel werd telkens teruggestuurd naar de tekentafel, omdat het te complex was. Aartsen heeft daarom het grootste deel van deze wet geschrapt. Alleen het onderdeel ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’ blijft overeind.
Dit rechtsvermoeden van werknemerschap houdt in dat zzp’ers met een tarief tot zo’n € 38,- per uur aanspraak kunnen maken op een dienstverband. De bewijslast verschuift naar de opdrachtgever. Kan die niet aantonen dat er geen sprake is van loondienst, dan wordt de werkrelatie als arbeidsovereenkomst gezien.
Als het aan minister Aartsen ligt, wordt het geschrapte deel van de VBAR vervangen door een nieuwe Zelfstandigenwet. De wet is nog in ontwikkeling. Aartsen wil er een zelfstandigentoets (is iemand ondernemer?) en een werkrelatietoets (hoe is de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer?) in opnemen. Tegelijkertijd moet er ruimte voor sectorspecifieke invulling komen.
De koerswijziging van minister Aartsen brengt geen directe versoepeling, maar wel een andere benadering. Hoe dan ook blijft het voor ondernemers noodzakelijk om kritisch te kijken naar de inzet van zzp’ers: heldere afspraken, een afgebakende opdracht en werken volgens de praktijk van de overeenkomst blijven essentieel.