NOA Menu
woensdag 3 oktober 2018

Directeur Savantis over Actieplan instroombevordering

Minstens achtduizend vakmensen komt de sector te kort, berekende het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) vorig jaar in opdracht van NOA/AFNL. De nood was dus hoog toen het bestuur van de Vakopleiding Afbouw begin dit jaar een klap gaf op het zogenaamde ‘Actieplan instroombevordering sector Afbouw’. Dat is een hele mond vol voor een plan om zo snel mogelijk meer jongeren over te halen om voor een vak in de afbouw te kiezen.

Ronald Van Driel Instroomplan

Werkgevers, vakbonden en opleidingen - verenigd in Savantis - schaarden zich eensgezind achter het ‘Instroomplan’ dat per 1 september van dit jaar officieel inging. We vroegen Ronald van Driel, directeur van Savantis, naar de voortgang. 

Het plan is ambitieus. Er wordt veel tijd en geld gestoken in allerlei manieren om jongeren warm te maken voor de afbouwsector. Stromen de leerlingen ondertussen massaal toe?

“Nou, we zijn pas net begonnen hè? Sinds 1 september zijn er in het hele land tien ambassadeurs actief. Dat zijn mensen die al lang betrokken zijn bij de sector. Soms zelf docent zijn. Die bezoeken vmbo’s, organiseren gastlessen, zorgen ervoor dat leerlingen veel eerder tijdens hun opleiding in aanraking komen met afbouwdisciplines. Het is een algemeen probleem dat vmbo’ers maar weinig doorstromen naar het mbo en al helemaal weinig richting techniek. Ze worden naar mijn mening nog veel te vaak richting administratieve vakken gedirigeerd. Dat moeten de ambassadeurs zien om te buigen. Maar het is een proces van de lange adem. Je trekt nu eenmaal niet zomaar een blik met leerlingen open. De opbouw begint van onderaf, dus voordat die leerlingen beschikbaar zijn ben je een paar jaar verder.” 

Van Driel schetst vervolgens de onderwijsstructuur. “Leerlingen op het vmbo kiezen in de eerste twee jaar een richting. Daar moeten we ze warm zien te krijgen voor de bouw. Pas in het derde of vierde jaar gaan ze specialiseren. Dan moeten we ze nog een keer richting de afbouw zien te bewegen.”

Op welke manier proberen de ambassadeurs leerlingen zover te krijgen voor de afbouw te kiezen?

“Vooral door te laten zien wat voor leuke beroepen er zijn in de afbouw. Tijdens open dagen laten we ze een wand bouwen en afwerken. Hopelijk zien ze dan dat zoiets veel meer uitdagende facetten heeft dan allround timmerman worden. Dat speelt namelijk mee. We zijn niet de enige sector met tekorten. De strijd om talent is gigantisch. Daarom geven we ook gastlessen waarin we andere zaken uitleggen: wat maakt de afbouw een aantrekkelijke sector om voor te werken? Hoe ziet de cao eruit, wat zijn de arbeidsvoorwaarden, hoe is de sector georganiseerd?” 

Wat doen de ambassadeurs nog meer?

“Ze bezoeken ook bedrijven. Vertellen dat we extra leermeester cursussen geven. Want ook daaraan is een tekort. Tijdens de crisis zijn er nogal wat leermeesters verdwenen. Bedrijven hebben zelf ook een verantwoordelijkheid: ze moeten zorgen voor voldoende opleidingsplaatsen. Die zullen er ook tijd en energie in moeten steken.”  

Drie jaar geleden telden alle stukadoors opleidingen 270 leerlingen, een jaar later waren dat er 321 en afgelopen schooljaar waren het er 343. Ook zonder de inspanningen lijkt het vak aan populariteit te winnen.  

“Klopt. Dat heeft ook te maken met de aantrekkende economie en de aandacht die de krapte op de arbeidsmarkt krijgt. Mensen zien dat er weer werk is. Maar het is nog niet voldoende.” 

Richt het instroomplan zich alleen op de vmbo’s en mbo’s? 

“Nee. We proberen de wat grotere stukadoorsbedrijven ook te bewegen om stageplekken te creëren voor HBO en WO studenten met volstrekt andere studies. Want waarom zouden bedrijfskundigen of HEAO’ers niet kiezen voor de afbouw? Niet meteen om met de handjes te werken, maar er zijn ondertussen ook wat grotere bedrijven die vacatures hebben voor managementfuncties. Maar dan moet je als sector wel op de radar van die opleidingen zien te komen.” 

De samenwerkingsverbanden - het voormalige Stuc Werk en Leren dat nu NOA Opleidingsbedrijf Afbouw heet - hebben nog steeds geen landelijke dekking. In Gelderland en Limburg lijken ze afwezig. Hoe zit dat?

“Klopt. De ambitie voor landelijke dekking is er wel degelijk. Er is in Gelderland wel degelijk een goede opleiding, in Zutphen. Maar geen samenwerkingsverband. Dat heeft verschillende redenen, maar ik kan verklappen dat er in beide regio’s hard gewerkt wordt om het voor elkaar te krijgen. In Limburg wordt een stichting opgericht en daar zijn ook ambassadeurs actief die scholen en bedrijven bezoeken. Lastiger is het om de kleine opleidingen georganiseerd te krijgen.”

Hoe kunnen ondernemers zelf meer doen om een goede aanwas van nieuwe mensen te organiseren?

“De marketing en promotie van het vak mag wel wat professioneler. Afbouwers zijn soms te bescheiden. Onder elkaar laten ze de mooie klussen wel zien, maar de buitenwereld ziet dat amper. Bedrijven mogen best méér trots zijn op hun werk. Als je als leek een gebouw binnenstapt kijk je altijd als eerste tegen het werk van een afbouwer aan, niet tegen dat van de ‘gewone’ aannemer. Daar is nog best wat te winnen. Want vergeet niet: je kunt met dit vak zoveel, zowel in de diepte, de breedte, met management. Kiezen voor de afbouw hoeft niet te betekenen dat je de rest van je leven stukadoor bent.”  

U zei het zelf al: het instroomplan vergt een lange adem. En veel geld. Wie gaat dat betalen? 

“Er komt een deel van de overheid. Die hebben aangekondigd hierin te investeren. Maar ook de bedrijfstak zal in de buidel moeten tasten. We bekijken de financiering van het instroomplan per jaar, maar ik kan me niet voorstellen dat er december niet positief over wordt besloten. Daar twijfel ik niet aan. Dit is een instering die zichzelf terugverdient. Dat vindt de sector zelf ook. Dat geld komt er wel.”  

Inloggen


Lid worden?

Personen actief in de Nederlandse afbouw krijgen veel voordelen als lid van NOA.


Lees de voordelen en word lid